Het was druk op de parkeerplaats. Maar ik was niet van plan me te laten ontmoedigen. Eens in de zoveel tijd moet ik gewoon naar de Gamma. De meeste mannen hebben dat volgens mij. Ik vermoed dat we het sinds we niet meer jagen (op groot wild bedoel ik), vooral van bouwen moeten hebben. Na een dagje klussen, als deodorant geen vat meer heeft op je lichaamsodeur en het zaagsel in je bilnaad staat, dan voel je weer dat je leeft.
Het viel niet mee om binnen te komen dit keer. Bij de ingang stond een grote donkere kerel een gordijnrails van vijf meter naar buiten te werken. Dat hij met een onhandige glimlach op z’n gezicht een stuk ijzer overdwars door de deuropening stond te wurmen vond ik nog tot daar aan toe, maar het was prettiger geweest als hij daarvoor de uitgang had gekozen. Dat heb ik weer: ga ik naar de Gamma om mijn mannelijkheid kracht bij te zetten, sta ik al bij de ingang als een soort Mister Bean een gordijnrails te ontwijken. De glimlach op zijn mond had iets krampachtigs gekregen. Hij leek me niet het type om snel op te geven en omdat ik geen zin had om ’s avonds met vijf hechtingen in mijn voorhoofd op de bank te zitten, schoot ik met een soepele beweging onder hem door.
Ik weet niet precies wat het is waardoor mannen zich goed voelen in zo’n loods. Misschien is het de geur van houtsnippers en verf. Of misschien is het de overzichtelijke manier waarop die bouwmarkten zijn ingedeeld. Stel je voor dat het leven zo overzichtelijk was. Rij 13: werk, rij 21: kinderen, rij 34: minnaressen. Hoe dan ook is er iets waardoor al die mannen daar rondlopen alsof ze alle tijd van de wereld hebben. Natuurlijk gaat het er nog steeds om wie de grootste boor in z’n karretje heeft, maar kameraadschap overheerst.
Als je naar die karretjes kijkt, valt er nog iets op. Ze zijn altijd vol. Dat is het enige probleem van de Gamma: ik kom daar voor een rol tape, wat spijkers en ijzerdraad. Maar na een uur loop ik naar buiten met een mini-zaklantaarn, een soldeerbout, houtlijm, twee hangsloten en gevelreiniger. En ik heb niet eens een gevel.
De Gamma is voor mannen wat Ikea is voor vrouwen. Het is voor vrouwen namelijk fysiek onmogelijk om alleen een lampje te kopen bij de Ikea. Die lange bochtige wandeling is teveel voor ze. Halverwege pakken ze alsnog een tas en bij de kassa zit die vol met tien kleerhangers, vijfhonderd waxinelichtjes, twee kussens en een knoflookpers. Want dat zijn dingen die ‘altijd van pas komen’. Mannen hebben dat niet. In de Ikea ben ik meestal gericht op de uitgang. Of op het restaurant. Vroeger kon je de Ikea-wandeling niet afsnijden. Fascistisch was dat gewoon. Dan moest je een uur lang achter de Tokkies aanlopen, terwijl je alleen een kaasschaaf wilde hebben. Ik ben een keer bijna gearresteerd omdat ik met een Billy een gat in de route stond te slaan.
Ook dit keer kwam ik met meer spullen bij de kassa dan ik me had voorgenomen. Je weet tenslotte nooit wanneer een elektrische stoomreiniger een keer van pas komt. Toen ik buiten met een gelukzalig gevoel mijn buit in de auto stond te laden, zag ik aan het einde van de parkeerplaats nog net een gordijnrails wegfietsen.
www.nielsgodron.nl